Ik blaas de dertien kaarsjes uit, xe9xe9n voor elke maand dat we bij elkaar zijn. “Ik bedenk me net iets,” zei hij die avond, “het is vandaag…”. “Ssst, niet zeggen!” antwoordde ik, “het is dertien maanden en dertien is een ongeluksgetal.” Hoewel ik hoop dat dat niet het geval is, was dat niet de reden waarom ik niet lyrisch over ons zoveelste jubileum wilde doen. De reden was dat ik even niet zo lyrisch over ons ben. Ik twijfel en de tranen sprongen me in de ogen toen ik dat hardop aan mezelf toe durfde te geven: het uitblazen van de kaarsjes voelde als het symbool voor een naderend einde en niet als een aankondiging van bedtijd.
Voordat ik de volgende morgen zijn kamer verlaat, kijk ik nog even rond alsof het voor het laatst is. En wanneer de trein het station achter zich laat, voelt het alsof hij dat voor de laatste keer doet. Waar komt toch dat nare gevoel vandaan? Het is niet dat ik niet meer van hem houd, dat ik niet meer gek op hem ben of niet meer bij hem wil zijn. Mijn gevoelens zijn juist sterker dan ooit. Is dat dan waar ik bang voor ben? Waarom zou ik? Zijn gevoelens zijn net zo sterk en dat laat hij dan ook in alles merken. Het is meer dan duidelijk: dit is de jongen die ik man ga zien worden, de man met wie ik mijn leven door zal brengen, de vader van mijn kinderen en opa van mijn kleinkinderen.
Steeds als hem weer zie, voel ik me beter dan ooit. Hij neemt me in zijn armen, zoent me en laat me merken hoe blij hij met me is. Maar even later krijg ik de drang om te vluchten, om ruzie te schoppen, weg te lopen, drama te maken… En hij? Hij hangt daar maar een beetje, zijn armen om me heen, zielsgelukkig.
Is dat moment dan werkelijk aangebroken?